De juf
Ze zit rechts van het digibord.
Altijd op dezelfde plek.
Altijd met haar schrift precies recht, haar potlood stil in haar hand.
Ze valt niet op — niet in positieve zin, maar ook niet in negatieve.
Een meisje dat gewoon haar werk doet.
Tenminste… dat denk ik.
Ze heet Mila.
Ze praat zacht, bijna onhoorbaar.
Als ik iets vraag, knikt ze vaker dan dat ze antwoord geeft.
Verlegen?
Maar de laatste tijd wringt er iets.
Soms schrikt ze van geluiden
die andere kinderen niet eens horen.
Soms zie ik haar schouders optrekken
als er iemand te dichtbij komt.
Niets groots.
Niets dat je meteen alarmeert.
Meer… kleine scheurtjes in haar gedrag.
Scheurtjes die je alleen ziet als je echt kijkt.
Maar ik zie ze pas nu.
Te laat misschien?
Want elke keer als ik naar haar glimlach,
glimlacht ze terug met een mond
maar nooit met haar ogen.
En dat zou me moeten opvallen.
Dat zou iedereen moeten opvallen.
Mila
Niemand weet het.
En dat moet zo blijven!?
Als ik het niet zeg, bestaat het niet.
Dat is wat ik mezelf vertel.
Elke ochtend...
Elke avond...
Wat er gebeurd is…
dat is niet voor kinderen.
Niet voor school.
Niet voor juffen.
Niet voor iemand.
Het zit in mijn lijf:
een druk op mijn borst,
een geluid dat blijft nagalmen,
een herinnering die als een schaduw achter me aanloopt.
’s Nachts word ik wakker van mijn eigen hartslag.
Overdag doe ik alsof het niet bestaat.
Op school wil ik onzichtbaar zijn.
Dat is het veiligst.
Ik kijk naar mijn tafel.
Ik schrijf netjes.
Ik beweeg niet te veel.
Als iemand te dichtbij komt, lijkt alles in mij te bevriezen.
Maar ik doe alsof ik mijn potlood laat vallen.
Alsof ik schrik van de stoel.
Alsof het niks is.
Alles is “alsof”.
Ik wil niet dat iemand weet dat ik bang ben.
Bang voor geluiden.
Bang voor onverwachte dingen.
Bang voor wat er kan gebeuren als ik niet oplet.
Thuis helpt het niet.
Als ik iets durf te zeggen,
heel voorzichtig,
dan hoor ik altijd hetzelfde:
“Stel je niet aan.”
“Het is voorbij.”
“Kom op, Mila.”
En dus knik ik.
En slik ik.
En zwijg ik.
Want als zij het al niet willen horen,
wie dan wel...?
’s Avonds onder mijn deken is alles donker, maar nooit stil.
Daar komen de beelden terug.
Soms wil ik schreeuwen.
Maar mijn keel doet nooit mee.
Ik denk dat ik kapot ben.
En dat niemand het ziet.
Soms hoop ik dat iemand het ziet.
Niet omdat ik wil praten.
Niet omdat ik durf.
Maar omdat ik moe ben.
Moe van doen alsof.
Moe van opletten.
Moe van sterk zijn terwijl ik dat helemaal niet ben.
Vandaag keek de juf naar me
op een manier die anders was.
Alsof ze verder keek dan mijn glimlach.
Alsof ze iets hoorde
dat ik niet gezegd had.
Dat maakte me bang.
Maar ook…
heel even…
een beetje minder alleen.
Misschien hoef ik niet voor altijd te zwijgen.
Misschien is er ergens een plek
waar ik mag zijn
zonder bang te zijn voor de echo’s?
Misschien...
Reactie plaatsen
Reacties